HOOFDSTUK 21
Toy Story
Buzz en Woody schieten te hulp
Jeffrey Katzenberg
‘Het heeft iets leuks om het onmogelijke te doen,’ zei Walt Disney eens. Dat was het soort houding dat Jobs aansprak. Hij bewonderde Disney’s bezetenheid met details en design en hij was van mening dat Pixar en de filmstudio die Disney had opgericht, als van nature bij elkaar pasten.
De Walt Disney Company had licenties verkregen op het Computer Animation Production System van Pixar en was daardoor ook de grootste afnemer van Pixars computers. Jeff Katzenberg, het hoofd van Disney’s filmafdeling, had Jobs een keer in de Burbank Studio’s uitgenodigd om de technologie in werking te zien. Terwijl de mensen van Disney hem rondleidden, wendde Jobs zich tot Katzenberg en vroeg: ‘Is Disney blij met Pixar?’ Met veel omhaal van woorden antwoordde Katzenberg dat dat zo was. Daarop vroeg Jobs: ‘Denk je dat wij van Pixar blij zijn met Disney?’ Katzenberg antwoordde dat hij aannam van wel. ‘Nee, dat zijn we niet,’ zei Jobs echter. ‘Wij willen een film met jullie maken. Dan zouden wij ook blij zijn.’
Katzenberg was daartoe wel bereid. Hij had bewondering voor John Lasseters korte films en had zonder succes geprobeerd hem naar Disney terug te lokken. Katzenberg nodigde daarop het Pixar-team uit om te bespreken of ze partners konden worden in een film. Toen Catmull, Jobs en Lasseter aan de vergadertafel zaten, was Katzenberg rechtdoorzee. ‘John, aangezien je niet voor mij wilt komen werken,’ zei hij terwijl hij Lasseter aankeek, ‘ga ik ervoor zorgen dat het op deze manier lukt.’
Net zoals het bedrijf Disney enige overeenkomst vertoonde met Pixar, zo vertoonde Katzenberg enige overeenkomst met Jobs. Beiden konden charmant zijn als ze wilden, en agressief (of erger) als dat beter bij hun stemming of belang van dat moment paste. Alvy Ray Smith, die op het punt stond Pixar te verlaten, was bij de vergadering aanwezig. ‘Het viel me op dat Katzenberg en Jobs erg op elkaar leken,’ vertelde hij. ‘Tirannen met een opvallende hoeveelheid geschetter.’ Katzenberg was zich hier heel goed van bewust. ‘Iedereen vindt dat ik een tiran ben,’ zei hij tegen het Pixar-team. ‘Ik ben een tiran. Maar ik heb gewoonlijk gelijk.’ Jobs had het precies zo kunnen zeggen.
Zoals dat hoort bij mannen met gelijke passies, namen de onderhandelingen tussen Katzenberg en Jobs maanden in beslag. Katzenberg stond erop dat Disney het recht kreeg op de technologie van Pixar om 3D-films te maken. Jobs weigerde en won uiteindelijk deze strijd. Jobs had zelf ook een eis: Pixar zou gedeeltelijk eigenaar zijn van de film en de karakters die erin voorkwamen en delen in zowel videorechten als eventuele vervolgfilms. ‘Als dat is wat je wilt,’ zei Katzenberg, ‘dan kunnen we evengoed ophouden met praten en kun je nu vertrekken.’ Jobs bleef en gaf op dat punt toe.
Lasseter volgde geboeid hoe de twee taaie en sluwe schermers toestaken en ontweken. ‘Ik had groot ontzag voor hoe Steve en Jeffrey elkaar bestreden,’ vertelde hij. ‘Het leek wel een schermwedstrijd. Beiden waren grootmeesters.’ Maar Katzenberg begon aan de wedstrijd met een sabel en Jobs met slechts een floret. Pixar stond op het punt failliet te gaan en had de deal met Disney veel harder nodig dan andersom. Bovendien kon Disney de hele onderneming zelf betalen en Pixar niet. Het resultaat was dat in mei 1991 een overeenkomst gesloten werd, volgens welke Disney eigenaar werd van de film en de karakters, zo’n 12,5% van de recette aan Pixar betaalde, de creatieve controle had, het project ieder moment kon opzeggen met slechts een kleine boete, een optie had (maar niet de verplichting) om de volgende twee films van Pixar te produceren, en het recht om (met of zonder Pixar) vervolgen te maken met karakters uit de film.
Het idee waar John Lasseter mee kwam, was Toy Story. Het was ingegeven door het geloof, dat hij met Jobs deelde, dat voorwerpen een essentie hebben, een doel waarvoor ze zijn gemaakt. Als het voorwerp gevoel zou hebben, dan zou dat gebaseerd zijn op zijn wens om zijn essentie te vervullen. Het doel van bijvoorbeeld een glas is om water vast te houden; als het glas gevoel had gehad, dan zou het gelukkig zijn als het vol was, en bedroefd als het leeg was. De essentie van een computerscherm is om samen te werken met een mens. De essentie van een eenwieler is om in een circus rondgereden te worden. En wat stukken speelgoed betreft, het is hun essentie dat ermee gespeeld wordt door kinderen, en dus is hun allergrootste angst dat ze verwaarloosd worden of dat de aandacht van het kind door nieuw speelgoed getrokken wordt. Dus een film over twee maatjes, de één een oud, geliefd speelgoedje en de ander een spiksplinternieuw ding, heeft op zich al drama in zich, zeker als de handeling erom gaat dat het speelgoed wordt gescheiden van het kind. Zoals het oorspronkelijke draaiboek begon: ‘Iedereen heeft wel de traumatische ervaring dat hij een stuk speelgoed kwijtraakte. Ons verhaal vertelt dit vanuit het gezichtspunt van het speelgoed als het het allerbelangrijkste wat het heeft, kwijtraakt en probeert terug te vinden: het kind dat ermee speelt. Dat is de reden van bestaan van al het speelgoed. Het is het emotionele fundament van hun bestaan.’
De twee hoofdfiguren zouden nog talloze veranderingen ondergaan voordat ze Buzz Lightyear en Woody werden. Om de paar weken verzamelden Lasseter en zijn team hun laatste storyboards of filmbeelden om bij Disney te laten zien. Al tijdens de eerste screentests demonstreerde Pixar zijn verbazingwekkende technologie met bijvoorbeeld een scène van Woody die boven op een kast rondloopt terwijl licht dat door de jaloezieën binnenvalt, schaduwen op zijn geruite overhemd werpt – een effect dat bijna niet met de hand te bereiken is.
Disney imponeren met een plot was moeilijker. Bij iedere presentatie van Pixar kraakte Katzenberg er een groot deel van af en blafte een aantal gedetailleerde opmerkingen en commentaren. Een stelletje strooplikkers met klemborden stond klaar om ervoor te zorgen dat iedere suggestie en inval van Katzenberg op nauwkeurige wijze werd opgeschreven en opgevolgd.
Katzenbergs grootste invloed was dat hij de twee hoofdfiguren wat scherper wilde hebben. Het mag dan wel een animatiefilm zijn met de titel Toy Story, zei hij, maar hij moet niet uitsluitend op kinderen zijn gericht. ‘In het begin was er geen drama, geen echt verhaal en geen conflict,’ vertelde Katzenberg. ‘Er zat geen snelheid in het verhaal.’ Hij stelde voor dat Lasseter eens een paar klassieke films over vriendschappen moest zien, zoals The Defiant Ones en 48 Hours, waarin twee hoofdpersonen met verschillende instellingen samen worden gebracht en wel samen verder moeten. Bovendien bleef hij maar doorzeuren over ‘scherpte’, en dat betekende dat Woody jaloerser moest worden op Buzz, de indringer in de speelgoeddoos, gemener, ruziezoekerig. ‘Het is een wereld van speelgoed-eet-speelgoed,’ zegt Woody op een gegeven moment nadat hij Buzz uit een raam heeft gegooid.
Na een groot aantal ronden van opmerkingen van Katzenberg en andere Disney-bazen, was Woody van zo’n beetje al zijn charme ontdaan. In een bepaalde scène wil hij het andere speelgoed van het bed gooien en beveelt hij Slinky om hem te komen helpen. Als Slinky aarzelt, blaft Woody: ‘Wie zei dat het jouw taak was om te denken, huilebalk?’ Waarop Slinky zich iets afvraagt wat het Pixar-team zich gauw ook af zal gaan vragen: ‘Waarom is die cowboy zo verschrikkelijk!’ Zoals Tom Hanks, die gecontracteerd was om Woody’s stem te doen, op een gegeven moment uitriep: ‘Die knaap is een echte klootzak!’
Cut!
In november 1993 hadden Lasseter en zijn Pixar-team de eerste helft van de film klaar en ze namen hem mee naar Burbank om hem aan Katzenberg en andere stafleden van Disney te laten zien. Peter Schneider, hoofd van de afdeling lange animatiefilms, was het nooit eens geweest met Katzenbergs idee om buitenstaanders films voor Disney te laten maken. Hij vond het een rotzooitje en beval dat de hele productie beëindigd moest worden. Katzenberg was het met hem eens. ‘Waarom is dit zo vreselijk?’ vroeg hij zijn collega Tom Schumacher. ‘Omdat het hun film niet meer is,’ antwoordde Schumacher bot. Later legde hij dat uit: ‘Ze gingen af op Katzenbergs op- en aanmerkingen waardoor het project volledig ontspoord was.’
Lasseter besefte dat Schumacher gelijk had. ‘Ik zat daar en voelde me behoorlijk beschaamd met wat er op het scherm vertoond werd,’ vertelde hij. ‘Het was een verhaal met de ongelukkigste, gemeenste figuren die ik ooit heb gezien.’ Hij vroeg Disney om een kans om ermee terug te gaan naar Pixar en het script te herschrijven.
Jobs had zich, met Ed Catmull, de rol toebedeeld van uitvoerend coproducent van de film, maar met het creatieve proces bemoeide hij zich nauwelijks. Gezien zijn aard om alles onder controle te hebben, zeker wat stijl en design betreft, bleek uit deze zelfbeheersing hoeveel respect hij had voor Lasseter en de andere kunstenaars van Pixar – en hoe knap Lasseter en Catmull hem op afstand wisten te houden. Hij zorgde er echter wel voor dat de relatie met Disney goed bleef en daar was het Pixar-team hem dankbaar voor. Toen Katzenberg en Schneider een eind maakten aan de productie van Toy Story, liet Jobs het werk gewoon doorgaan door uit eigen zak te betalen. En hij koos hun kant tegen Katzenberg. ‘Hij had van Toy Story een bende gemaakt,’ zei Jobs later. ‘Hij wilde dat Woody een slechterik was, en toen hij ons liet stoppen, zetten wij hem er op onze beurt uit en zeiden, “Dit is niet wat wij willen,” en gingen we door op een manier zoals we dat altijd hadden gewild.’
Drie maanden later kwam het Pixar-team met een nieuw script. De figuur van Woody was niet meer de tirannieke baas van Andy’s andere speelgoed, maar hun wijze aanvoerder. Zijn jaloezie na de komst van Buzz Lightyear was invoelbaarder gemaakt en eronder klonken de klanken van Randy Newmans nummer ‘Strange Things’. De scène waarin Woody Buzz uit het raam gooit, was zo herschreven dat de val het gevolg was van een ongelukje ten gevolge van een trucje dat Woody wilde doen met (ter ere van Lasseters eerste korte film) een Luxo-bureaulamp. Katzenberg en co keurden de nieuwe benadering goed en in februari 1994 werd de productie van de film voortgezet.
Katzenberg was onder de indruk van de wijze waarop Jobs de kosten in de hand hield. ‘Zelfs al aan het begin van het maken van een begroting was Steve zich terdege bewust van de kosten en wilde hij zo efficiënt mogelijk te werk gaan,’ zei hij. Maar het productiebudget van $ 17 miljoen dat Disney had toegezegd, bleek toch te weinig, zeker na de enorme revisie die noodzakelijk was geweest nadat Katzenberg hen had gedwongen Woody ‘scherper’ te maken. Daarom eiste Jobs meer geld om de film nu wel op de goede manier af te kunnen maken. ‘Luister, we hebben een overeenkomst gesloten,’ zei Katzenberg tegen hem. ‘We hebben jou het zakelijk toezicht gegeven en je bent akkoord gegaan met het bedrag dat we hadden geboden.’ Jobs was woedend. Hij belde Katzenberg of vloog naar hem toe en was, in Katzenbergs woorden, ‘zo meedogenloos als alleen Steve kan zijn’. Jobs bleef erbij dat Disney aansprakelijk was voor de kostenoverschrijdingen omdat Katzenberg het oorspronkelijke concept zo afschuwelijk had verpest dat er extra werk voor nodig was geweest om de zaak te herstellen. ‘Wacht even,’ reageerde Katzenberg. ‘Wij hielpen jullie. Jij profiteerde van onze creatieve hulp en nu wil je dat wij daarvoor betalen.’ Het was een kwestie van twee controlefreaks die ruzieden over wie de ander een plezier had gedaan.
Ed Catmull, die altijd wat diplomatieker was dan Jobs, slaagde erin de ruzie te sussen. ‘Ik had een veel positievere mening over Jeffrey dan sommige anderen die aan de film werkten,’ zei hij. Maar het incident zette Jobs er wel toe aan om uit te zoeken hoe hij in de toekomst meer in te brengen zou hebben bij Disney. Hij was niet graag alleen uitvoerder, hij wilde de controle hebben. Dat betekende dat Pixar in de toekomst zijn projecten zelf moest gaan financieren en dat er een ander soort contract met Disney moest komen.
Tijdens de productie van de film werd Jobs steeds enthousiaster. Hij had met verschillende bedrijven – van Hallmark Cards tot Microsoft – gepraat over het verkopen van Pixar, maar nu hij Woody en Buzz tot leven zag komen, begon hij te beseffen dat hij wel eens op het punt kon staan om de filmindustrie te veranderen. Na het gereedkomen van nieuwe scènes van de film bekeek hij ze herhaaldelijk en nodigde hij vrienden thuis uit om zijn nieuwe passie met hem te delen. ‘Ik kan je niet vertellen hoeveel versies van Toy Story ik heb gezien voordat hij in première ging,’ aldus Larry Ellison. ‘Het werd uiteindelijk een vorm van marteling. Ik ging naar hem toe en dan zag ik weer de laatste tien procent wijzigingen. Steve is er bezeten van om dingen goed te krijgen – zowel het verhaal als de technologie – en is niet tevreden met minder dan perfectie.’
Zijn gevoel dat zijn investering in Pixar zich toch wel eens terug zou kunnen betalen, werd versterkt toen Disney hem uitnodigde om in januari 1995 in een tent in Central Park in Manhattan aanwezig te zijn bij een galapreview voor de pers van scènes uit Pocahontas. Bij die gelegenheid maakte de CEO van Disney, Michael Eisner, bekend dat de première van Pocahontas plaats zou vinden op 25 meter hoge schermen op het grote grasveld van Central Park voor een publiek van 100.000 mensen. Jobs was een meester in het organiseren van opmerkelijke introducties, maar zelfs hij was verbaasd over dit plan. Buzz Lightyears’ geweldige aansporing – ‘tot oneindig en verder’ – leek plotseling de moeite waard om serieus over na te denken.
Jobs besloot dat het uitbrengen van Toy Story in november van dat jaar een goede gelegenheid was om Pixar naar de beurs te brengen. Maar zelfs de overijverige investeringsbanken twijfelden en zeiden dat dat onmogelijk was. Pixar had vijf jaar lang alleen maar geld gekost, maar Jobs was vastbesloten. ‘Ik was nerveus en vond dat we moesten wachten tot na onze tweede film,’ vertelde Lasseter. ‘Steve wees dit echter af en zei dat we het geld nodig hadden zodat we de helft in onze films konden stoppen en de overeenkomst met Disney konden herzien.’
Tot oneindig!
In november 1995 vonden er twee premières plaats van Toy Story. Disney organiseerde er een in het El Capitan Theatre, een eerbiedwaardige oude bioscoop in Los Angeles, en bouwde er een lachpaleis naast met de figuren uit de film. Pixar kreeg een handjevol vrijkaarten, maar de avond en de gastenlijst waren wel heel erg Disney; Jobs ging er niet eens naartoe. In plaats daarvan huurde hij voor de volgende avond de Regency af, eveneens een oude bioscoop maar in San Francisco, en hield daar zijn eigen première. In plaats van Tom Hanks en Steve Martin waren de gasten grootheden uit Silicon Valley: Larry Ellison, Andy Grove, Scott McNealy en natuurlijk Steve Jobs. Dit was Jobs’ show: hij introduceerde de film op het podium, niet Lasseter.
De rivaliserende premières benadrukten een knagend probleem: was Toy Story een Disney-film of een Pixar-film? Was Pixar niet meer dan een bedrijfje voor animaties dat Disney hielp bij het maken van films? Of verzorgde Disney alleen de distributie en de marketing voor Pixar? Het juiste antwoord zat daar ergens tussenin. De vraag zou worden hoe de betrokken ego’s, en met name die van Michael Eisner en Steve Jobs, met een dergelijke samenwerking om moesten gaan.
De inzet werd verhoogd toen Toy Story door de kritiek gunstig werd ontvangen en direct na de opening een enorm kassucces bleek. Al in het eerste weekeinde waren alle kosten eruit: alleen in eigen land werd al een omzet behaald van $ 30 miljoen en het werd de kaskraker van het jaar – en versloeg Batman Forever en Apollo 13 – met $ 192 miljoen in de VS alleen en $ 362 miljoen wereldwijd. Volgens review aggregator (‘recensieverzamelaar’) Rotten Tomatoes was de kritiek in 100% van de gecheckte drieënzeventig recensies positief. Richard Corliss van Time noemde het ‘de inventiefste komische film van het jaar’, David Ansen van Newsweek riep de film uit tot een ‘wonder’ en Janet Maslin van de New York Times raadde hem aan voor kinderen én ouders als ‘een werk van ongelooflijke slimheid in de beste tweegeneratie-Disney-traditie.’
De enige oneffenheid voor Jobs was dat critici als Maslin schreven over ‘Disney-traditie’, niet over de opkomst van Pixar. Dat was een beeld waar volgens Jobs verandering in moest komen. Toen hij en Lasseter in de tv-show van Charlie Rose optraden, benadrukte Jobs dat Toy Story een Pixar-film was en hij beklemtoonde zelfs het historische karakter van de oprichting van de nieuwe studio. ‘Sinds Sneeuwwitje werd uitgebracht, heeft iedere grote studio geprobeerd een graantje mee te pikken van de tekenfilmbusiness, en tot nu toe was Disney de enige studio die met een avondvullende animatiefilm een kaskraker in huis had,’ zei hij tegen Rose. ‘En nu is Pixar de tweede studio die daarin geslaagd is.’
Jobs benadrukte dat Disney alleen distributeur van de Pixar-film was. ‘Hij herhaalde keer op keer, “Wij van Pixar zijn de echte en jullie van Disney zijn shit”,’ vertelde Michael Eisner. ‘Maar wij hadden ervoor gezorgd dat Toy Story een succes werd. Wij hebben de film mede vormgegeven en wij hebben al onze afdelingen ingezet, van de mensen van consumentenmarketing tot Disney Channel, om er een hit van te maken.’ Jobs kwam tot de conclusie dat het fundamentele probleem – van wie was de film nu eigenlijk? – contractueel moest worden vastgelegd in plaats van met een woordenstrijd. ‘Na het succes van Toy Story,’ zei hij, ‘besefte ik dat we een nieuwe overeenkomst met Disney moesten sluiten als we ooit zelf een studio wilden opbouwen en niet alleen een bedrijf waren dat je kon inhuren.’ Maar om op gelijke voet met Disney te kunnen onderhandelen, moest Pixar geld op tafel kunnen leggen. Daarvoor was een succesvolle IPO, een initial public offering, het voor de eerste keer aanbieden van aandelen aan het publiek, nodig, zoals hij eerder met Apple had gedaan.
De IPO vond precies één week na de première van Toy Story plaats. Jobs had erop gegokt dat de film een succes zou worden en zijn risicovolle gok betaalde uit, heel veel zelfs. Net als na de IPO van Apple was er een feestje gepland in de vestiging van de grootste deelnemer aan het garantiesyndicaat in San Francisco om 7 uur ’s morgens, op het moment dat de aandelen voor de eerste keer te koop waren op Wall Street. Oorspronkelijk zouden de aandelen worden aangeboden voor ongeveer $ 14 om ervan verzekerd te zijn dat ze verkocht zouden worden. Jobs stond er echter op dat ze geïntroduceerd zouden worden voor $ 22, wat het bedrijf natuurlijk meer waard zou maken als de IPO een succes werd. En dat werd het en overtrof zelfs zijn allerstoutste dromen. De IPO van Pixar ging die van Netscape, tot op dat moment de grootste van het jaar, voorbij. In het eerste halfuur schoot de prijs omhoog naar $ 45 en de handel moest worden gestaakt vanwege de vele kooporders. Daarna steeg hij zelfs nog door, naar $ 49, om aan het einde van de dag te sluiten op $ 39.
Eerder dat jaar had Jobs nog geprobeerd een koper te vinden die hem de $ 50 miljoen terug zou willen betalen die hij erin had gestoken. Tegen het einde van de dag waren zijn aandelen – 80% van het bedrijf – meer dan twintig keer zoveel waard: een verbijsterende $ 1,2 miljard. Dat was zo’n vijf keer zoveel als hij had verdiend toen Apple in 1980 naar de beurs ging. Maar Jobs zei tegen John Markoff van de New York Times dat het geld hem niet veel kon schelen. ‘Er ligt geen jacht op me te wachten,’ zei hij. ‘Ik heb dit nooit voor het geld gedaan.’
De succesvolle IPO betekende dat Pixar niet langer afhankelijk was van Disney om films te financieren en dat was precies wat Jobs wilde. ‘Omdat we nu de helft van de kosten van onze films zelf konden financieren, kon ik ook de helft van de winst eisen,’ vertelde hij. ‘Maar voor mij was nog belangrijker de co-branding. Dit zouden Pixar- zowel als Disney-films worden.’
Jobs ging naar Disney om te lunchen met Eisner, die verbaasd was over zoveel brutaliteit. Ze hadden een overeenkomst voor drie films en Pixar had er nog maar een gemaakt. Iedere partij had zijn eigen kernwapens. Katzenberg had Disney inmiddels na een heftige ruzie met Eisner verlaten en richtte met Steven Spielberg en David Geffen de filmstudio DreamWorks SKG op. Als Eisner geen nieuwe overeenkomst met Pixar wilde sluiten, zei Jobs, dan zou Pixar, zo gauw de overeenkomst voor drie films achter de rug was, naar een andere studio gaan. Daar stelde Eisner het dreigement tegenover dat Disney, als dat zou gebeuren, zijn eigen vervolgen op Toy Story zou gaan maken, met de figuren Woody en Buzz en alle andere die Lasseter geschapen had. ‘Dat zou net zoiets zijn geweest als het mishandelen van onze kinderen,’ zei Jobs later. ‘John begon te huilen toen hij dat besefte.’
Dus kwamen ze een wapenstilstand overeen. Eisner ging ermee akkoord dat Pixar de helft van toekomstige films ging financieren en in ruil de helft van de winst opstreek. ‘Hij dacht niet dat we veel hits zouden scoren en dacht dus dat hij Disney hiermee wat geld bespaarde,’ aldus Jobs. ‘Uiteindelijk was het voor ons geweldig, aangezien Pixar tien kaskrakers op rij zou maken.’ Ook werden ze het eens over co-branding, al werd er nog lang gebekvecht over hoe die er precies uit moest zien. ‘Volgens mij is het zo dat een Disney-film een Disney-film is, maar ik gaf toch toe,’ vertelde Eisner. ‘We begonnen te onderhandelen over hoe groot de letters van Disney gingen worden, hoe groot die van Pixar, als een stel vierjarigen.’ Maar begin 1997 lag er een overeenkomst – voor vijf films in een periode van tien jaar – en gingen ze uit elkaar als vrienden, op dat moment tenminste. ‘Eisner was toen redelijk en eerlijk tegen mij,’ zei Jobs later. ‘Maar in die tien jaar kwam ik tot de conclusie dat hij een slecht mens was.’
In een brief aan de aandeelhouders van Pixar legde Jobs uit dat de co-branding met Disney op alle films – en op advertenties en speelgoed – het belangrijkste aspect van de overeenkomst was. ‘We willen Pixar uit laten groeien tot een merk dat net zoveel vertrouwen uitstraalt als het merk Disney,’ schreef hij. ‘Maar als Pixar dit vertrouwen wil verdienen, moet de consument wel weten dat het Pixar is die de films maakt.’ Tijdens zijn hele carrière stond Jobs er al om bekend dat hij fantastische producten wist te creëren. Maar net zo belangrijk was dat hij fantastische bedrijven wist te creëren met waardevolle namen. Hij creëerde twee van de beste van zijn tijd – Apple en Pixar.